Amsterdamse Baardtuimelaar - Tuimelaarclub

Fokkers Nederlandse Tuimelaars
FNT
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Amsterdamse Baardtuimelaar

Onze Rassen
Het ras stond eerst als Engelsmannetje bekend en werd louter gehouden voor het vliegen. In 1993 is het ras gestandaardiseerd onder de naam Amsterdamse Tuimelaar, waarna in 1998 het ras ook in Duitsland werd erkend.
Beknopte Rasbeschrijving: De Amsterdamse Baardtuimelaar is een kleine tot nauwelijks middelgrote, korte duif met goed geronde iets opgetrokken gedragen borst. De verlangde stand is horizontaal. De kop is kort gerond met een goed gevulde voorkop. De ogen worden parelkleurig verlangd, maar dit is nog niet algemeen goed. De oogranden zijn smal en fijn en volgen de veerkleur. Dieren met goede oogkleur komen al voor, dus erg rode ogen kunnen worden bestraft.
De tekening van de Amsterdamse Baardtuimelaar is in feite witpen/witstaart met baardje. Dit komt er op neer dat minimaal de 7 buitenste slagpennen wit zijn, net zoals de staart, inclusief onder- en bovenstaartdek. Midden onder de snavel draagt de Amsterdamse Baardtuimelaar een baardje wat ongeveer anderhalve centimeter diep is en smaller verloopt tot onder de ogen. Er wordt naar gestreefd om dit baardje los van de ogen te houden. De staarttekening is onder en boven scherp begrensd. In het aantal witte slagpennen mag niet meer dan twee pennen verschil optreden, terwijl de duimveren eigenlijk gekleurd worden verlangd ter voorkoming van witte vleugelbogen. De witte slagpennen veroorzaken ook druk op de kleur aan benen en dijen, kleine witte manchetten zijn toegestaan, maar een en ander mag niet ontaarden in witte dijen of zelfs een witte of bonte buik. De Amsterdamse Baardtuimelaar komt voor in zwart, dun, rood en geel. Verder in blauw zwartgeband, blauwzilver donkergeband, roodzilver geband en geelzilver geband. De beste dieren komen voor in de zwarte kleurslag. Bij de beoordeling staan ook bij de Amsterdamse  Baardtuimelaar type en stand bovenaan, hierbij zien we liever geen lange, smalle dieren. Er wordt naar een horizontale stand toegewerkt, maar voorlopig dienen alleen vogels met een sterk opgerichte stand te worden teruggezet. Als Nederlands tuimelaarras staat de beoordeling van de kop op de tweede plaats, waarbij in een moeite de snavel wordt meegenomen. De kop mag niet gerekt zijn, afgeplat of een smalle voorkop tonen, maar wordt kort gerond verlangd zonder dat daarbij een steile of overvulde voorkop ontstaat. De snavel mag niet lang en/of dun zijn. Bij zwart en blauw kan de bovensnavel niet goed doorgekleurd zijn, of kan juist de ondersnavel kleur vertonen. Ogen en oogranden kunnen ook een bron van fouten zijn; veel rood in de iris, onscherpe of niet ronde pupil, rood in oogranden en niet goed omsloten oogranden. De kleur en tekening komen op de laatste plaats bij de beoordeling, maar hier kunnen wel enige eisen worden gesteld aan de zuiverheid en kleurdiepte, bij de rode en gele kleurslag er rekening mee houden dat we hier met dominant rood en -geel te doen hebben in plaats van recessief rood en –geel. De moeilijkheden bij de tekening liggen bij de grootte van de baard en het optreden van wit in de dijen en aan de buik. Een grote baard straft zich vaak in onzuivere irissen­en uitzakkende en/of onscherpe pupillen. Beide vleugels behoren minstens de buitenste 7 slagpennen wit te hebben, waarbij, zoals al eerder genoemd geen groter verschil dan 2 witte pennen mag ontstaan. De duimveren mogen niet wit zijn of ontbreken.
De Amsterdamse Baardtuimelaar is in een korte periode een populair ras geworden, waar veel vraag naar is en waarvoor ook in Duitsland en België veel belangstelling bestaat. Het is een vrolijk en plezierig ras in omgang en brengt zijn eigen jongen met zorg groot.

Willem de Wal

Duiven om U tegen te zeggen!
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu